Pervers nieuwsgierig naar ochtend over medisch tuchtrecht | column

Maaike van der Plas

Het is dezelfde fascinatie waarmee ik regelmatig horrorfilms kijk, die ervoor zorgt dat ik op mijn vrije dag de wekker om 6.15 uur zet om met een collega naar Utrecht te rijden. Een mengeling van angst, afschuw, maar ook een perverse nieuwsgierigheid dwingt ons de weg op. Onze bestemming: niet een bioscoopzaal om een seriemoordenaar of kwade geest aan het werk te zien, maar een nascholingsochtend over medisch tuchtrecht.

Gemiddeld worden er 1.000 tot 1.600 tuchtklachten per jaar tegen zorgverleners ingediend, waarvan zo’n 65 procent tegen artsen. Sommige specialismen hebben een hogere kans dan andere om ooit een envelop met slecht nieuws van het tuchtcollege op de deurmat aan te treffen. Chirurgen, psychiaters en bedrijfsartsen verschijnen het vaakst in het beklaagdenbankje, maar ook mijn eigen tak van sport (neurologie) is in de top tien terug te vinden. Zelf heb ik gelukkig nooit met een klachtenprocedure (laat staan een daadwerkelijke tuchtklacht) te maken gehad, maar ik ken wel de verhalen van collega’s en supervisors over hoe beangstigend, tijdrovend en schadelijk zo’n traject kan zijn. In de hoop mijzelf die ervaring te besparen, neem ik plaats in de zaal.

Gedurende de ochtend staan we stil bij het proces van een tuchtklacht, vanaf het ontvangen van de eerste envelop tot de uitspraak van het college, vaak bijna een jaar later. Ook bespreken we het spanningsveld tussen enerzijds onze vrees voor het medisch tuchtrecht en anderzijds de noodzaak ervan. Sommige artsen en juristen pleiten voor de afschaffing van het concept, met als argumenten dat onderzoek uitwijst dat artsen slechter functioneren na een klacht, dat het tuchtrecht te veel gericht is op straffen, en het zeer moeilijk is om met de kennis van achteraf (hindsight bias) eerlijk te oordelen over de beslissingen van een zorgverlener in een acute situatie. De verdedigers voeren echter aan dat het tuchtrecht is bedoeld om te leren en de zorg te verbeteren, en dat het noodzakelijk is voor het vertrouwen in de beroepsgroep om ons toetsbaar op te stellen. Die redenering begrijp ik ook, al hoop ik nog steeds dat ik nooit een dergelijke voorbeeldfunctie hoef te vervullen.

Enkele sprekers vertellen over specifieke tuchtzaken. Vooral dit onderdeel is een achtbaan van emoties voor mijn collega en mij. Bij sommige casussen halen we opgelucht adem: gelukkig, dit zou ons nooit overkomen, omdat we niet complete psychopaten zijn die nooit een artseneed hadden mogen afleggen. Maar bij andere verhalen knijpen onze billen zich weer langzaam samen: o mijn hemel, dit hadden we wel kunnen zijn, met een beetje pech en tijdens een drukke dienst.

Als we halverwege de middag weer in de auto stappen, vinden we het nog steeds lastig om onze mening over het tuchtrecht te vormen. De willekeur en belasting ervan blijft afschrikwekkend. De wetenschap dat je veel klachten kunt voorkomen door empathische communicatie met patiënten en nette dossiervoering is geruststellend. De boodschap dat we openlijker moeten praten over en leren van medische fouten is waardevol.

Bij thuiskomst kan ik het niet laten om even langs mijn brievenbus te lopen. Binnen ligt één envelop. Ik voel mijn hartslag stijgen als ik ernaar reik. Het zal toch niet…?

De Postcode Loterij. Of ik nog kans wil maken op de Straatprijs.

Lees ook: Successen moet je met collega’s vieren | column

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.