Enquête na enquête over werkomstandigheden artsen, maar er verandert niets | column

Maaike van der Plas

Bijna wekelijks vind ik ze wel in mijn werkmail, de uitnodigingen om een enquête, een onderzoek, een vragenlijst, een monitor of een evaluatie in te vullen.

De afgelopen jaren wordt het namelijk steeds duidelijker dat artsen niet altijd gelukkig zijn met hun werkomstandigheden. De consequentie hiervan is dat mijn collega’s en ik digitaal worden bestookt met verzoeken om onze ontevredenheid toe te lichten.

Soms komen die uitnodigingen uit mijn eigen ziekenhuis, soms van mijn afdeling, soms van een landelijk orgaan voor de belangen van arts-assistenten, een beroepsvereniging voor artsen of een medisch tijdschrift. Alle vragenlijsten bevatten dezelfde items: werkdruk, administratielast, werk-privébalans, voldoening, ontwikkelingsmogelijkheden, et cetera.

Zelf heb ik het idee dat mijn directe collega’s en ik elk onderzoek grofweg hetzelfde invullen. Minutenlang klikken we op eindeloze reeksen bolletjes om aan te geven of we het niet, een beetje, redelijk of zeer eens zijn met stellingen over hoe de hoeveelheid zinloze formulieren ons contact met de patiënten beperkt. De ironie hiervan deprimeert mij. De resultaten van deze onderzoeken krijgen we teruggekoppeld in lange rapporten met percentages, die dan weer besproken moeten worden op vergaderingen of in ontwikkelgesprekken.

Inmiddels geeft niemand zich meer op voor dat soort exercities. Want hoe vaak je ook invult dat de bezetting problematisch is, de nutteloze administratie astronomische proporties bereikt of de hoeveelheid oneigenlijke taken de pan uit rijst: er verandert niets.

Een van de vragen die regelmatig terugkomt in al deze enquêtes is: ’denkt u wel eens over stoppen met uw opleiding?’ De afgelopen jaren heb ik hier gedachteloos en reflexmatig ’nooit’ aangeklikt. Het moment dat ik hoorde dat ik was toegelaten tot de opleiding tot neuroloog was één van de gelukkigste uit mijn leven. Ik weet nog waar ik was toen ik het telefoontje kreeg en met welke euforie ik mijn ouders belde.

Aanvankelijk was ook in mijn werkomgeving het idee van stoppen met de opleiding een waanzinnige notie. Verhalen over artsen die stoppen, waren een zeldzaamheid en wij keken er met afschuw naar. De afgelopen tijd zie ik daar een kentering in. Het gesprek wordt openlijk gevoerd. Eerst alleen na een paar biertjes en een pizza, maar inmiddels ook tijdens de lunch in het personeelsrestaurant.

Collega’s die het afgelopen decennium keihard hebben gewerkt om hun ambitie om neuroloog te worden te verwezenlijken, twijfelen nu aan hun gekozen carrière. Ze kijken naar de levens van hun vrienden buiten de medische wereld en de vrijheid die daarbij hoort. Neuroloog worden, oké, maar dan echt niet meer dan twee of drie dagen per week.

Anderen solliciteren zich te pletter met een dijk van een CV, tientallen wetenschappelijke publicaties en een promotie, en krijgen telkens te horen dat er te weinig geld is en niet genoeg plekken zijn. „Misschien ga ik wel helemaal iets anders doen”, zeggen ze hardop. En in plaats van de kreet van afschuw en verbijstering die hier ooit op was gevolgd, knikken de toehoorders nu instemmend.

De volgende keer dat ik die vraag krijg tijdens zo’n tevredenheidsonderzoek, twijfel ik welk bolletje ik moet aanklikken. Wil ik stoppen met de opleiding? Nee, en dat zie ik mezelf ook nooit doen. Maar om te pretenderen dat het gesprek niet wordt gevoerd en dat ik daar geen begrip voor ontwikkel, zou een leugen zijn.

Lees ook: Vertrouwde herinneringen ophalen, twaalf jaar na het verlaten van de middelbare school, kan ook gevoelens van heimwee opwekken | column

Lees ook: Ook zwanger is mijn collega haar chaotische, nuchtere en pragmatische zelf | column

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.