Bij vlagen lijkt het consult van de coassistent op een duel | column

Maaike van der Plas

Normaal gesproken is het krukje in de spreekkamer gereserveerd voor de coassistent, maar vandaag neem ik er plaats. We hebben de rollen omgedraaid: de coassistent zit achter het bureau met het dossier van de volgende patiënt al op het computerscherm.

Het is zeker niet ongewoon om mee te kijken als een co een vraaggesprek of lichamelijk onderzoek doet, maar meestal wordt dat al snel een samenwerking. Als arts stel je aanvullende vragen, neem je soms het gesprek in z’n geheel over of doe je – vooral als de tijd dringt – zelf even de neurologische testjes. Mijn functie vandaag is anders. Ik ben een pure observator: de coassistent heeft een uur de tijd om de patiënt in kaart te brengen terwijl ik stilletjes in een hoekje zit, en zal vervolgens met een andere collega van mij overleggen en een plan maken.

Als de coassistent de patiënt binnenroept, voelt het alsof ik getuige ben van een spannende sportwedstrijd. Hoewel in de spreekkamer de twee partijen aan weerszijden van het bureau geen tegenstanders van elkaar zouden moeten zijn, lijkt het consult bij vlagen op een duel. De co heeft de lastige taak om enerzijds genoeg ruimte te bieden aan de patiënt om zijn verhaal te doen, maar anderzijds ook de medisch relevante informatie van de ruis te scheiden en binnen de tijd te blijven.

De coassistent begint met een sterke open vraag. De truc is nu om te luisteren naar het antwoord. Onderzoek heeft uitgewezen dat artsen de neiging hebben om na gemiddeld elf seconden de patiënt alweer te onderbreken. Die onderbrekingen komen voort uit de angst dat het spreekuur te veel uitloopt, maar de praktijk wijst uit dat het rustig aanhoren van het eerste verhaal uiteindelijk juist tijd oplevert. De coassistent heeft blijkbaar goed opgelet tijdens de colleges over communicatie en houdt zich hier keurig aan.

Het gesprek gaat verder naar de specifieke kenmerken van de klachten: wat, waar, wanneer, hoe lang? Het wordt even spannend als de patiënt een dwaalspoor introduceert en een lang betoog begint over een onderwerp dat nu niet ter zake doet. Ik merk dat de coassistent de valstrik herkent en lichtelijk in paniek raakt; de regie terugpakken blijft moeilijk. Na een paar minuten lukt het. De laatste formaliteiten (allergieën, intoxicaties, familieanamnese) worden professioneel afgehandeld.

Het neurologisch onderzoek is zeer uitgebreid en netjes uitgevoerd, al ben ik blij dat een mondkapje mijn glimlach verbergt als de ijverige coassistent ook de oriëntatie in plaats formeel uitvraagt („Weet u waar u bent, mevrouw?”). Normaal gesproken bewaren we die vraag voor verwarde of dementerende patiënten, en niet zozeer voor twintigers met hoofdpijn die zelfstandig de polikliniek neurologie hebben gevonden.

Als ik na het consult vraag hoe de coassistent het zelf vond gaan, begint mijn toekomstige collega aan een lange lijst van zaken die beter had gekund. Als een echte arts onderbreek ik de zelfkritiek binnen elf seconden. Ik kan me nog goed herinneren hoe nerveus ik zelf was, toen ik zes jaar geleden tijdens mijn coschap neurologie achter dit bureau zat, met mijn beoordelaar op het krukje. Na deze prestatie passen slechts felicitaties.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.