Nieuw voor mij is de bereikbaarheidsdienst: als ze maar niet bellen als ik aan het douchen ben! | column

Maaike van der Plas

Zoals een kind allerlei mijlpalen doorloopt op weg naar de volwassenheid, zo volg je ook als arts-assistent neurologie een bepaald traject waarin je steeds meer competenties en verantwoordelijkheden verzamelt. Nieuw voor mij is vanaf deze week de bereikbaarheidsdienst voor de afdeling klinische neurofysiologie.

Normaal gesproken ben ik als neuroloog in opleiding tijdens mijn avond-, nacht- en weekenddiensten permanent in het ziekenhuis aanwezig. Tijdens deze bereikbaarheidsdiensten is het echter zo dat ik gewoon thuis mag zijn en gebeld kan worden als een van mijn collega’s een verzoek heeft aan de klinische neurofysiologie.

Zo’n verzoek betreft meestal het verrichten van een hersenfilmpje (in vaktermen: een EEG), bijvoorbeeld bij een patiënt die net is gereanimeerd of bij wie er een verdenking bestaat op zeer frequente epileptische aanvallen. Ik schakel dan de dienstdoende laborant in, die het EEG daadwerkelijk maakt, en daarna is het mijn taak om het onderzoek te interpreteren en, eventueel in overleg met een supervisor, de uitslag te geven.

Het gebeurt met enige regelmaat dat de klinische neurofysiologie tijdens de dienst in actie komt, maar dat ik tijdens mijn vierentwintiguursdienst op zondag sowieso aan de bak moet, is zeker geen garantie. Ik dien mijn telefoon bij me te hebben en binnen ongeveer een uur in het ziekenhuis te kunnen zijn, maar verder ben ik vrij om te gaan en staan waar ik wil.

Ik pas mijn gebruikelijke weekendplannen zoveel mogelijk aan op de dienst. Poes Miek en ik gaan op zaterdag op bezoek bij mijn ouders in plaats van op zondag. Ik ga niet met de ochtendrit van mijn wielerclub mee, want ik voorzie dat ik dan net word gebeld als ik vijfenzeventig kilometer van huis ben en een spectaculair werelduurrecord moet rijden om op tijd in het ziekenhuis te arriveren. In plaats daarvan rijd ik op mijn hometrainer. ,,Elke kilometer is er één’’, vertel ik mezelf, terwijl ik angstvallig naar mijn mobiel staar. Honderd kilometer later heb ik nog niets gehoord.

,,Als ze maar niet bellen als ik aan het douchen ben!’’, hoop ik vervolgens. Ook dat ongemak blijft me bespaard. Ik durf zelfs even tijdens de lunch een bezoek te brengen aan mijn oma. Elke keer als mijn telefoon oplicht of een geluidje maakt, vraagt ze bezorgd: ,,Is dat het ziekenhuis?’’ Ik moet het steeds ontkennen. Ik krijg mijn gebruikelijke emails en alerts van sociale media, maar mijn collega’s redden het nog zonder mij.

Eenmaal thuis maak ik mijn aquarium schoon. Ik zie poes Miek, die quasinonchalant rond de open bak drentelt, hopen dat ik nu word gebeld, zodat zij wat tropische vissen kan verschalken, maar ze heeft pech. Ik mag vervolgens koken in alle rust en zelfs eten in vrede. Voor de nacht twijfel ik of ik mijn mobiel op ‘niet storen’ zal zetten. Als het goed is, hoor ik dan alleen telefoontjes, maar geen geluiden van andere appjes. Ik durf het toch niet. Het geluid blijft aan en ik schrik regelmatig wakker omdat iemand een duimpje zet bij mijn ochtendfietstocht op Strava.

Alleen in mijn dromen word ik die nacht ontelbare malen gebeld.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.