Premium

Dat zijn vader in de oorlog zijn geboortejaar wist te wijzigen, was ’een moedige stunt’ [video]

Dat zijn vader in de oorlog zijn geboortejaar wist te wijzigen, was ’een moedige stunt’ [video]
Hans van Minnen (81) uit Huizen.
© Peter Schat
Huizen

Rinze Hendrik van Minnen deed niets uit de losse pols. ,,Hij was zeer mathematisch’’, zegt zijn zoon Hans van Minnen (81) uit Huizen. In de oorlogsjaren woonde het gezin van de ingenieur op Kamerling Onnesweg 173 in Hilversum.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

In 1931 was het daar naartoe verhuisd uit Eindhoven. Toen was er al één dochter: Neeltje. In Hilversum zouden nog een dochter en twee zoons geboren worden. Een na de oorlog in 1946, en Hans er nog net voor.

’Een stunt’ noemt Hans van Minnen het, dat zijn vader in 1941 zijn geboortejaar wist te wijzigen toen hij een persoonsbewijs kreeg. Er stond dat hij in 1903 geboren was in Friesland, in plaats van het feitelijk juiste 1906.

Dat zijn vader in de oorlog zijn geboortejaar wist te wijzigen, was ’een moedige stunt’ [video]
Het persoonsbewijs met gecorrigeerd geboortejaar van Rinze van Minnen.

,,Het viel me al op, de paperassen doorgaand die na het overlijden van mijn zus Bauck bij mij zijn terchtgekomen, dat in officiële brieven uit de oorlog zijn geboortejaar nooit klopte. En hij kreeg er nogal wat als verantwoordelijke voor de stroomvoorziening van de NSF, van Zonnestraal en het ziekenhuis en zijn werk voor de gaarkeuken in de Zwaluwenschool. Op zijn persoonsbewijs is te zien dat het na de bevrijding naar 1906, zijn werkelijke geboortejaar, is aangepast. Plus een paraaf van de ambtenaar.’’

Lees ook: ’In de Hongerwinter kregen we aardappelschillen in lauw water. Meer was er niet’ [video]

Dat hij ouder leek dan hij was, zou hem later in de oorlog beschermen tegen afgevoerd worden naar Duitsland. ,,Voor mij een bewijs dat hij al vroeg in de oorlog voorvoelde wat er veranderen zou. Ik praat over mijn vader, maar toch vind ik het getuigen van moed. Niet iedereen durft dat maar zo.’’

De mathematische onderlegdheid van Rinze Hendrik zorgde voor een eindlijst met allemaal negens voor de exacte vakken op de middelbare school in Friesland. Die leidden ertoe dat Anton Philips hem meteen in dienst nam.

Maar ook dat de ingenieur in de oorlog eigenhandig een schuilkelder bouwde in de achtertuin. Een diepe ruimte onder een aarden dekking van een meter achter een klapluik. Banken aan weerszijden. Daaronder nog een dubbele bodem, waar zijn vader zich tijdens de razzia van november 1944 schuil hield.

Dat zijn vader in de oorlog zijn geboortejaar wist te wijzigen, was ’een moedige stunt’ [video]
De schuilkelder in de achtertuin van Kamerling Onnesweg 173 in Hilversum, waar het gezin Van Minnen woonde.
© Collectie Hans van Minnen

In februari 1945 schreef pake uit Garijp dat daar voedsel te halen was. Op een februaridag dat het potdicht zat van de mist bleken vader en Neeltje te zijn vertrokken op de fiets. ,,Zo wist hij dat er geen Engelse vliegtuigen waren, die je konden beschieten.’’

Neeltje werd in Friesland achterlaten en Rinze ging fietsend maar grotendeels lopend met 75 kilo eten retour Hilversum.

De witte linnen zakken met bruine bonen, de Friese droge worst en het roggemeel dat zijn vader meenam herinnert Hans zich nog goed. De koffiemolen die na het overlijden van Bauck in 2013 opdook, waarmee zij bij toerbeurt het meel moesten maken, bewaart hij als een relikwie.

In vier dagen was zijn vader thuis. Op twee dicht opeen beschreven vellen deed hij verslag van zijn barre winterse tocht. Hij calculeerde hoeveel kilometer hij per dag aflegde, en schreef precies op wat hij dronk en at. Hieronder zijn verslag.

’Zoo’n wind zou je voor heele leven een knauw geven’

Verslag fietstocht van woensdag 28 februari tot en met zaterdag 3 maart 1945 van de fietstocht Garijp naar Hilversum met ongeveer 70 kilogram bagage.

Zal ik een korte beschrijving geven niet alleen voor jullie, maar ook voor mijzelf, om later bij leven en welzijn nog eens over te kunnen lezen, daarom schrijf ik met potlood, zodat ik direct een doorslag kan maken.

Ik start de woensdag 28 februari 1945, om ongeveer 13.45 uur uit Garijp met hoofddoel voor middernacht nog over de IJsselbrug bij Zwolle te halen, zodat ik ruim 100 kilometer in 10 uur zou moeten afleggen.

Tot nieuwe brug toe ging alles naar wensch, maar het werd me duidelijk, dat ik met vrijwel tegenwind niet tegen de helling van de brug op zou kunnen fietsen, zodat ik besliste die helling op te lopen. Op de brug werd ik ingehaald door een paard en wagen de voerman gaf toestemming om de wagen vast te houden, zodat ik het weggedeelte met pal tegenwind met weinig moeite aflegde.

Het ging niet vlug, maar op mijn eentje had ik het zeker nog langzamer gedaan. Bij de zijweg naar Aegum bevestigde ik de bagage wat beter, trapte met zijwind tot station Roordahuizum en met tegenwind tot aan de Rijksstraatweg, op de Rijksstraatweg moest in het algemeen met een krappe zijwind gerekend worden.

Het was me al gauw duidelijk dat een uurgemiddelde van 10 kilometer zelfs zonder dat er extra pech bij zou komen niet aan te houden viel, zoodat het alleen mogelijk zou zijn om met behulp van een auto voor middernacht de brug over te komen.

Dat zijn vader in de oorlog zijn geboortejaar wist te wijzigen, was ’een moedige stunt’ [video]
Slot van het verslag dat Rinze van Minnen schreef na zijn barre tocht uit Friesland in 1945.

Even voorbij Akkrum kreeg ik een lekke achterband, het bleek dat een oude lap los was gelaten, reparatie koste me met af- en opladen bijna 1 uur. Direct daarna trof ik een man die maar tot Heerenveen wilde omdat hij van de ortscommandant in Leeuwarden verlof had om tot 3 maart over de brug te gaan. Iets wat ik ook wel had willen hebben.

De laatste 4 kilometer voor Wolvega fietste ik met iemand op die me vertelde dat er in Meppel ’omdat het Sperrgebied was’ zoveel menschen opgepikt werden. En dat bij binnenkomst als bij vertrek practisch ieder gecontroleerd werd, iets dat bij mij op de heenreis niet was gepasseerd.

Op een gegeven moment naderde er een auto met groot licht, ik had net het plan om deze te laten stoppen tot er plotseling vliegtuiggeronk boven onze hoofden klonk. Het bleken later overvliegers te zijn, maar ik heb de auto laten passeren, we hebben korte tijd dekking gezocht en ik besloot om me beslist niet met de auto te laten meenemen.

Het was inmiddels half acht geworden. Heb nog geprobeerd om in Wolvega vergunning te krijgen om later de brug te passeren, en ben tegen achten bij de fam. Bijl aangekomen. Donderdagmorgen stormde het. Ik vertrok om half zes, kon tot bijna aan Meppel toe grootendeels fietsen, maar de wind wakkerde steeds aan, zodat er tenslotte van fietsen geen sprake meer was.

Ook in Wolvega had ik gehoord van de strenge controle in het ’Sperrgebied Meppel’, zoodat ik besloot om de nieuwe weg om Meppel heen aan te houden, niet wetend dat dat evengoed Sperrgebied was. Op die weg stond zo’n wind, en het goot zo nu en dan, zoodat ik lopend slechts met 2 á 3 kilometer per uur op kon schieten.

Kletsnat en met water in mijn schoenen bereikte ik zuidelijk van Meppel de Staphorsterweg. In de luwte van een huis trachtte ik wat op mijn verhaal te komen, het was inmiddels 11.00 uur geworden en ik had sedert half zes nog geen 30 kilometer afgelegd, het leek me onmogelijk om de brug nog te bereiken, zoodat ik er over dacht om in Staphorst of Rouveen een onderdak te zoeken.

Er komt een man bij me staan, hij zegt me dat ik 300 meter verder koffie kan koopen, maar ook dat een 100 meter van me af de ingangscontrole van het Sperrgebied is en dat daar heel wat menschen gegrepen worden.

Omrijden zou 10 kilometer extra weg opleveren en de koffie zou ik niet kunnen koopen. Ik besloot het te riskeren, ben bij de wacht langs ’geloopen’ heb een praatje gemaakt en toen dat naar mijn mening lang genoeg geduurd had ben ik op de koffie afgestevend.

Vier koppen zwarte koffie gedronken, een half uur gerust en omdat het tijdelijk droog was besloot ik maar weer verder te gaan. Dat ging loopend en fietsen, zowat half om half, maar dat duwen van een fiets is op den duur ook zeldzaam vermoeiend, je armen beginnen er geweldig pijn van te doen. Om half vier was ik bij de brug.

Je moet vanaf de weg een zijlaantje in, en daar is dan de controle.

Ergens stonden wat menschen bij een kar en bij wat fietsen, ik dacht dit is zeker een deel van de controle, maar niemand vroeg of zei me iets, ik heb mijn fiets achter de menschen langs geduwd en toen bleek dat ik de gehele controle gepasseerd was, alleen op de brug zou er nog en P.B. controle door de Duitschers zijn.

Ik had geen zin om die zware fiets alleen bij de helling op te duwen, je liep al tot over je enkels door de modder zoodat ik een jongen en meisje ’huurde’ die me voor 1 gulden tot op de brug duwden. Ze maakten er blijkbaar dagwerk van, maar vonden mijn aanbod blijkbaar nogal royaal.

Bij de opgang van de brug hield me een Duitscher aan, en vroeg me of ik wel in de controle was geweest was, wat er in dat witte zakje zat, wilde toen ik zei dat het boonen waren waarvoor ik een geleidebiljet had, liet het niet eens zien, liet hij me passeren.

Met de menschen waarvan ik vermoede dat ze er voor P.B. controle stonden heb ik weer een praatje over het slechte weer gemaakt, ze vroegen me niets en toen was de hele brug gepasseerd. Hij was inderdaad gesloten van de andere kant af, maar zou voor terugkeerders uit het noorden nog enkele dagen open blijven. De een zei drie de ander vijf een derde tien dagen, in elk geval kon ik er zonder meer over.

Een kilometer of vijf over de brug heb ik weer drie koppen zwarte koffie kunnen koopen, en ik ben nog geloopen of gefietst 19 kilometer Zwolle voorbij tot bijna in Elburg, toen was het bij zevenen. Ik had er genoeg van en heb bij een boer onderdak gevraagd, die had al zeven gasten en die stuurde me naar een klompenmaker, een paar minuten van de grote weg af. Het bleek een alleenwonende man van ruim veertig jaar te zijn, zijn moeder was vorig jaar gestorven.

Toen het te donker werd om te werken maakte hij de kachel heerlijk aan, zette koffie, kookte pap, verontschuldigde zich, dat de bakker maar twee keer per week kwam en dat hij geen brood voldoende in huis had. Ik kreeg koffie zoveel ik wilde, twee borden pap, rogge gekookt in water en karnemelk en at het brood wat ik bij me had.

Tegen 10 uur werd ik naar ’bed’ gebracht, stro op de vloer van de schuur naast het geitenhok waarop twee gewatteerde dekens. Op een ben ik gaan liggen, over me heb ik genomen het laken en de plaid die ik bij me had en de andere deken.

Iedereen slaapt weliswaar op zoo’n bed maar bij het roode kruis is het al niet anders, en ik s’morgens geen jeuk of zoo. Ik heb goed warm gelegen maar heb weinig geslapen want ik had weer het gevoel alsof ik carbid gegeten had, ’s morgens ben ik dan ook alleen met drie koppen koffie de dag begonnen, heb geen brood gegeten, en voor de pap bedankt.

Van die klompenmaker hoorde ik dat er ’s nachts ook veel auto’s beschoten werden, dat er veel menschen langs de groote weg nacht aan nacht in de kelder slapen. Het speet me niets een paar honderd meter van de weg af te zitten.

’s Morgens om kwart over zeven ging ik weer op weg, een paar kilometer verder misschien, bleek inderdaad ’s nachts een wagen beschoten te zijn.

Om 10 uur barste mijn achterband. Door de zware vracht was de buitenband op drie plaatsen van de draad gesprongen. Reparatie was uiterst moeilijk maar lukte, hoewel niet volkomen betrouwbaar naar mijn mening.

Ook al met het oog op de storm had ik er me mee verzoend om verder tot huis toe te moeten loopen, maar toen ik een klein stuk ruim wind kreeg kon ik de verleiding niet weerstaan om te fietsen, maar de band bleek langzaam leeg te lopen. Maar weer repareren zoo goed mogelijk de zaak in orde maken. Drie lappen over elkaar op een plaatsen. Vooruit maar tot Nijkerk ging alles tamelijk goed, half fietsen half loopen.

Om drie uur heb ik mijn eerste eten vrijdag genuttigd, drie sneeden roggebrood, drinken, tenminste warm, was nergens te krijgen. Om vier uur ging ik Nijkerk uit met de hoop om nog thuis, of minstens tot Baarn te komen, maar de storm was zoo erg over al dat water aan het blank staande land, dat je niet op kon schieten.

Overleggend dat ik me nog kapot zou kunnen maken, besloot ik bij een der laatste boeren onderdak te vragen. Dat lukte mij niet vlot, uiteindelijk heb ik onderdak ’gekocht’ met driekwart roggebrood, het andere kwart had ik opgegeten, zoodat ik met drie thuis ben gekomen.

In de provincie Gelderland kon op rantsoenbonnen niet gekocht worden, anders was ik er niet aan begonnen om in een roggebrood te snijden.

Ik was om vijf uur bij die boer, heb twee bekers warm water gevraagd om te drinken. Heb wat gegeten en ben om 8 uur in het hooi gekropen, het tochtte er geweldig maar diep in het ’hooi’ onder laken, plaid en regenjas heb ik heerlijk warm gelegen en geslapen.

Om half zeven ben ik opgestaan, kreeg koffie heb wat gegeten en ben om half acht op stap gegaan. Het waait minder hard dan vrijdag, zoodat ik dat kon, zij het dan ook loopend. Maar na Bunschoten heb ik zoo nu en dan weer wat kunnen fietsen.

De tocht door de Eemnesser polder viel ook niet mee, in Eemnes kocht ik een kop slechte koffie en een dito nog slechtere onzichtbare thee, en ben van Eemnes naar Hilversum geloopen, waar ik kwart voor twaalf aan kwam.

Op de terugweg heb ik gelukkig geen beschietingen meegemaakt, maar als er een auto passeert en er zijn vliegtuigen in de lucht, dan kijk je onwillekeurig toch wel even extra goed uit.

Ik ben dus bijna drie dagen onderweg geweest, heb behalve twee borden pap bij de klompenmaker geen warm eten gehad, heb niets kunnen koopen dan 4 + 3 + 1 koppen koffie en 1 kop thee, terwijl ik nog thee en melk in Wolvega en koffie bij de beide slaapplaatsen gekregen heb.

Al mijn eten bestond uit:

1 brood

¼ roggebrood

1 worst (van H. Oetzes gekregen)

1 ons spek

1 doos pepermuntjes

2 borden pap

Geen wonder dat ik hongerig en vervallen thuis kwam.

In ronde getallen heb ik afgelegd:

Woensdag 45 km in 6 uur gemiddeld per uur 7 ½ kilometer

Donderdag 75 km in 13 ½ uur gemiddeld per uur 5 ½ kilometer

Vrijdag 45 km in 9 ½ uur gemiddeld 4 ¾ kilometer

Zaterdag 22 km in 4 ¼ uur gemiddeld 5 ¼ kilometer

Totaal: 187 kilometer in 33 1/3 uur gemiddeld ruim 5 ½ km per uur.

Bandenpech, oponthoud enz. inbegrepen. Bij windstilte en zelfde bandenpech had zeker een gemiddelde van 7 ½ km bereikt kunnen worden, afgezien nog van het feit, dat je je zelf niet uit elkaar had behoeven te sjouwen. Zoo’n wind zou je voor heele leven een knauw geven.

We zullen het beste er van hoopen.

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.