Premium

Gé van Beenen: ’Kerst 1944 lokten we mussen naar binnen. Kopje eraf, veertjes eraf. Hadden we toch iets van wild in de pan’ [video]

Gé van Beenen (87) uit Hoorn. Woonde tijdens de oorlog in Amsterdam
© Peter Schat
Hoorn

Gé van Beenen uit Hoorn was acht toen de oorlog uitbrak. „Op een leeftijd dat je bij lange na niet de ernst van de situatie inschat.” Hij heette toen nog Rudi. Omdat hij de naam Gé toen hij naar de hbs ging stoerder vond klinken - hij had een neef die zo heette - is hij die naam gaan gebruiken. Hij was immers in 1932 als Gerard Rudolf gedoopt.

Zijn eerste jaren bracht hij door in de Vondelkerkstraat, in een laaggelegen deel van Amsterdam.

„Waar de paddenstoelen onder de plint vandaan groeiden. Niet zo handig met een kleine over de vloer. Mijn ouders verhuisden naar de Jacob Marisstraat, bij het Surinameplein. Toen de rand van de stad. Mijn vader kocht er een herenhuis waarvan wij de bovenverdieping bewoonden en zijn broer met zijn vrouw een hoog huurden. De begane grond was ook verhuurd.”

Oorlogshandelingen waren er amper in Amsterdam.

„Als Schiphol werd gebombardeerd hoorde je dat in de verte. Het urenlange gebrom van bommenwerpers die overdag naar Duitsland vlogen herinner ik me ook. Ze trokken condensstrepen. Ook ’s nachts vlogen ze en dan hoorde ik ze na een paar uur weer terugkomen als ze hun bommen boven Duitsland hadden afgeworpen.”

De eerste herinneringen aan de oorlog zijn van de opwinding die in september 1944 om zich heengreep toen het zuiden van Nederland was bevrijd.

„We hoorden dat op de clandistiene radio en maakten ons op voor de bevrijding. We dachten dat het vandaag of morgen wel afgelopen zou zijn.”

Het liep anders. Er moest eerst nog een hongerwinter aan de lijve worden ondervonden, waaraan Gé zijn indrukwekkendste herinneringen heeft.

Noodkacheltje

„Langzaam maar zeker was er niets meer. Alle voorraden raakten op en de bevoorrading stokte. Bovendien vroor het ook nog eens twintig graden. Er waren geen kolen meer, geen eten en geen drinken, geen gas en elektriciteit. Geen kraanwater en geen wc-papier. We kropen met z’n vieren in de keuken, een ruimte van vier bij vier meter waar op de potkachel een noodkacheltje stond. Twee stukken pijp ter grootte van een flinke pan waarin op een roostertje houtjes werden verbrand.”

,,Eerst gingen de meubelen stuk voor stuk erin, daarna de vloer, de deuren, de traptreden om en om, de leuning en toen alles binnen opgebruikt was werden buiten de bomen omgezaagd. We peuterden houten blokjes tussen de tramrails uit, daar holde je dan mee naar huis en kon er weer een paar uur gestookt worden. Bittere armoe was het.”

„We hadden een jampotje met daarop een deksel met een fietsventieltje. Daardoor een paar draadjes wol die hingen in het water waarmee het potje was gevuld met erop een laagje olie. Dat brandde dan walmend. Je leefde als het licht was en als het donker was ging je maar naar bed met een aantal dekens.”

„Al vroeg in de oorlog heeft mijn vader zeven Joden ondergebracht in een bovenhuis in het centrum van Amsterdam. Het waren vermogende Joden die waren gevlucht uit Duitsland en juwelen en sieraden mee hadden genomen. Met die juwelen ging mijn vader dan op een fiets zonder banden de boer op, naar Purmerend enzo. En dan ruilde hij een broche, of een ring of wat hij dan ook meenam voor etenswaren voor die mensen. Meestal na spertijd bracht hij het dan naar ze.”

Opgepakt

,,Hij had ze ook van een radiootje voorzien. Wij wisten dat helemaal niet. Gelukkig maar. Hij is een paar keer opgepakt maar altijd de dans ontsprongen. Na de oorlog waren die mensen hem uiteraard erg dankbaar. Dat is allemaal verleden tijd. Mijn vader is overleden, mijn moeder is overleden en die mensen zijn er ook niet meer. Ik word in 2020 88 en de generatie voor mij is er niet meer.”

„Kerst 1944 hebben we de keukendeur op een kiertje gezet. Wat tarwekorreltjes of iets derlijks op de vloer gelegd en zo mussen gelokt. Toen er een paar binnen waren deur dicht. Kopje eraf, veertjes eraf. En zo hadden we toch iets van wild in de pan. Natuurlijk zat er ook niet veel vlees aan die beestjes. Het was het idee.”

Afleiden

„Achter ons huis had je de Kostverlorenvaart die leidde via de stad naar de suikerfabriek in Halfweg. Van buiten kwamen dekschuiten met suikerbieten in de suikerbietentijd en die moesten schutten in het sluisje dat daar was. Ik had een zus van vijf jaar ouder, die was dus zeventien en die wist de soldaat die altijd met zijn geweer op de dekschuit stond af te leiden. Zodat ik met een lange stok met een spijker eraan een paar suikerbieten van de boot kon pakken.”

,,Die namen we dan mee naar huis en mijn moeder maakte daarvan dan iets wat je eten kon. Het werd in stukjes geschaafd en dan een poosje koken dan kwam er stroop vanaf. En van wat ervan overbleef werden dan weer koekjes gebakken. Er was niets anders, dus je moest wel.”

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Regio

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.