Crailo: tehuis voor zwerfdieren sinds 1925

Deze foto is gemaakt tijdens de opening van het ’asyl voor noodlijdende, zwervende en andere dieren voor Hilversum en Omstreken’ in 1925.
© foto’s dierenasiel crailo en streekarchief gooi en vechtstreek
Hilversum

Na een roerige periode ziet het er weer naar uit, dat Dierenasiel Crailo zijn 100-jarig bestaan gaat halen. Het ’Asyl voor noodlijdende, zwervende en andere dieren voor Hilversum en Omstreken’ opende zaterdag 12 december 1925 de deuren. De financiën vormden altijd een grote opgave.

Al in augustus 1923 vormden bezorgde dierenvrienden een voorlopig comité dat zich ’met den meest mogelijken ernst en ijver’ bezig ging houden met de oprichting van een dierenasiel in Hilversum.

Op 25 februari 1924 vond in ’t Hof van Holland de oprichtingsvergadering plaats. Ondanks het ’gure winterweer met een hevige sneeuwjacht’ was de belangstelling zeer groot, zo was de volgende dag in de krant te lezen.

De nieuwe vereniging - die al zo’n 287 leden telde - wilde niet alleen zieke dieren opvangen maar ook een pension bieden voor huisdieren waarvan de eigenaren op reis waren. In september klopte het bestuur aan bij de gemeente.

Promotiekraam bij de Kei in Hilversum, circa 1950.

In de brief aan de ’Heeren Burgemeester en Wethouders’ werd onder meer gemeld dat de vereniging inmiddels vijfduizend gulden in kas had, maar dat de bouw van een asiel begroot was op zevenduizend gulden. Een lage raming, aldus het bestuur, maar voldoende voor een onderkomen voor ongeveer veertig dieren en een woning voor de opzichter.

Het bestuur van Stad en Lande van Gooiland had al een stuk grond in pacht afgestaan. Het bestuur wilde zo snel mogelijk met de bouw van start gaan ’teneinde de vele zwervers voor den winter een onderdak te kunnen geven’. Vandaar het verzoek aan de gemeente om een renteloos voorschot van tweeduizend gulden. Maar B en W zeiden ’nee’.

Modderpoelen

Het asiel opende op 1 december 1925 de deuren. Zaterdagmiddag 12 december was de officiële opening. Het weer zat niet mee. ’Toch hadden nog vrij veel dierenliefhebbers hun leven in de waagschaal gesteld om nu eens door modderpoelen baggerend dan weer voortglijdend over spiegelgladde paadjes het asyl te bereiken,’ aldus de krant.

De promotiewagen wordt opgetuigd.

Voorzitter G. van de Wall meldde: Voorlopig is de inrichting berekend op 15 honden en 8 katten, doch er is ruimte in overvloed, om zoo nodig dit aantal belangrijk te vergroten.’ De vereniging had een oude loods, die tijdens de mobilisatiejaren 1914-1918 als munitieopslag was gebruikt, gekocht en die naar de Crailoseweg laten verplaatsen. Voor verbeteringen van het gebouw was geen geld.

Andere boeg

Het asielbestuur gooide het eind 1926 over een andere boeg gooide. In een nieuwe brief richting college werd nu om dertig cent per dag gevraagd per zwerfkat of -hond, die door tussenkomst van de politie werd opgenomen. Sinds de opening waren er al zo’n honderd opgevangen.

Bij de brief zat een (concept)reglement voor de opname van zwervers. Daarin stond onder meer dat de brenger van de hond of kat een formulier moest invullen en ondertekenen. En dat het asiel een zwerver alleen ophaalde als er veertig cent werd neergeteld. De eigenaar kreeg dan veertien dagen de tijd om zich te melden.

Stand waarmee onder meer geld werd ingezameld tijdens hondenshows.

Daarna werd het dier eigendom van het asiel. ’De zwerver kan dan worden verkocht, weggeven of afgemaakt.’ Over dat laatste stond in het reglement: ’Zwervers die volgens verklaring van den dierenarts aan een besmettelijke, eene ongeneeslijke of een slechts door eene langdurige behandeling te genezen ziekte lijden kunnen na machtiging der politie zoo spoedig mogelijk worden afgemaakt’.

Het bestuur kreeg echter opnieuw nul op rekest van b en w.

Pension

In 1928 waagde het asiel een nieuwe poging. De inmiddels 435 leden waren via hun jaarlijkse contributie goed voor 800 gulden.

Voeding, onderhoud, verwarming en verlichting van het gebouw, en het salaris van de bewaarder kostten echter ’eenige malen meer’. De exploitatie van het gebouw was alleen mogelijk dankzij de inkomsten uit het pension.

Taak politie

Het bestuur benadrukte dat het asiel, dat dus uitsluitend door particulieren uit Hilversum e.o. werd bekostigd, een kostbare taak uit handen van de politie had genomen.

Vandaar het verzoek: geef ons een jaarlijkse subsidie van 2,50 gulden voor ieder opgenomen zwervend of noodlijdend dier. Dit bedrag zou worden besteed aan vervoer en verpleegkosten, en aan een hoger salaris voor de beheerder. Met steun van de raad zei het het college wederom ’nee’.

Een bridgedrive ten bate van het dierenasiel, januari 1951.

Zeer billijk

Dat het gezegde ’de aanhouder wint’ steek houdt, bleek in 1930. Het bestuur probeerde het dit keer via de commissaris van politie. Die stuurde een brief aan B en W.

’Op grond van 34 en 35 der A.P.V. worden alle honden, die, in stryd met de in die artikelen voorkomende bepalingen zich op straat bevinden ter beschikking van de politie gesteld, terwyl bovendien het aantal zieke of aangereden honden, dat door de politie per jaar wordt aangetroffen, zonder dat de eigenaar bekend wordt, niet gering is, eveneens door haar bemiddeling onderdak dient te worden verschaft.’

Het asiel, aldus de commissaris, had al die tijd de dieren opgenomen en verzorgd. Een vergoeding voor die werkzaamheden - een gemeentelijke taak - vond hij zeer billijk. Overigens meldde hij in de brief, dat een eigenaar drie dagen de tijd kreeg om een aan de politie ter beschikking gestelde hond op te komen halen. Dit ’uit humaniteitsoverwegingen’. Na drie dagen werd zo’n dier dan afgemaakt. Dat was dus de gewoonte tot de opening van het asiel.

Cover van het verenigingsorgaan.

Dierenliefhebber

De commissaris, blijkbaar een dierenliefhebber, benadrukte het belang van de instelling. ’Indien het asyl voor de door politie op straat gevonden honden eens geen onderdak verschafte, zou ik niet weten, waar ik die beesten moest laten, welke moeilykheid nog erger voor zieke of gewonde beesten is.’

Om B en W over de streep te helpen wees hij er ook nog op, dat de laatste jaren veel honden waren ’afgeschaft’ (vanwege de Crisis?), waardoor er per saldo minder naar de politie werden gebracht. Hij kreeg, per kerende post, antwoord. Het asiel zou voortaan voor elke hond die de politie bracht vijftig cent per dag voor de verpleegkosten krijgen, met een maximum van anderhalve gulden.

Nuttig werk

Het bestuur vroeg wat later 1,50 gulden voor élke zwervende en hulpbehoevende hond die werd opgenomen. Het college adviseerde de raad hier ook mee in te stemmen: het asiel deed nuttig werk, en was in de (financiële) problemen gekomen door de ’gewijzigde economische omstandigheden’.

De raad ging akkoord. Vanaf dat moment stuurde het asiel jaarlijks een lijst met opgenomen zwervers, voorzien van datum, aanbrenger (politieman of particulier), en de plek in Hilversum waar het dier was opgehaald.

In 1931 ging het bijvoorbeeld om 86 zwerfhonden. Verder declareerde het asiel nog eens 20,15 gulden voor het per auto vervoeren van gewonde dieren, waarvan 14,80 gulden voor tien honden die door de politie waren ’ingeleverd’.

Ankeveen

In 1930 waren in totaal 52 honden en 47 katten als zwervende dieren ingebracht. Niet alleen afkomstig uit Hilversum, maar ook uit Bussum, Naarden, Huizen, Ankeveen en Maartensdijk. Zeventien honden en twee katten werden weer door hun eigenaar afgehaald. Aan 25 van de 35 niet afgehaalde zwerfhonden ’werd een goed tehuis bezorgd’.

Tien honden en zeventien katten moesten op advies van de dierenarts wegens ziekte, ouderdom of onherstelbare verminking worden afgemaakt. Opvallend is dat in het asiel ook tegen betaling huisdieren werden afgemaakt op verzoek van hun eigenaar. In 1930 ging het maar liefst om 110 honden, 97 katten, 1 bok en 1 papegaai. Verder werden zeven dieren, die bij hun eigenaar waren gestorven, opgehaald en/of op het terrein begraven.

Papegaai

Het asiel fungeerde dus al vanaf het begin als pension. In 1930 verbleven er bijvoorbeeld in totaal 481 honden, 145 katten, 37 duiven, 1 kalkoen, 1 kraai, 1 papegaai, 1 kanarie, 2 bokken en 2 konijnen. Andere gasten waren patiënten van dierenartsen (18 honden, 7 katten en 1 bok). Uit correspondentie met de gemeente blijkt ook hoeveel zwerfdieren een nieuw thuis kregen.

Neem het jaar 1934, waarin 117 honden werden opgenomen. Negentien daarvan werden afgemaakt omdat ze te zwaar gewond of ziek (schurft) waren. Nog eens vijf honden bezweken aan ziekten. Voor de overige dieren werd ’een tehuis gevonden’. Dat lukte ook voor de meeste katten. In 1931 kregen 41 van de 49 niet opgehaalde dieren een nieuw thuis. Dat gold ook voor een duif.

Soms moesten er dieren worden afgemaakt, die ’reeds meermalen waren weggegeven, maar voor huisdier ongeschikt bleken te zijn’.

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.