Nieuwe techniek kan Loosdrechtse geheimen onthullen

Het vijftiende eeuwse kannetje met inhoud

Het vijftiende eeuwse kannetje met inhoud

De voorkant van dezelfde munt op naam van Christoph I (1475-1527).

De voorkant van dezelfde munt op naam van Christoph I (1475-1527).

Achterkant van de gulden uit Baden

Achterkant van de gulden uit Baden

Voorkant van de Portugese cruzado

Voorkant van de Portugese cruzado

Achterkant

Achterkant© Foto: Teylers Museum

1 / 5
Ronald Frisart
Loosdrecht

De Loosdrechtse muntschat, ook wel goudschat genoemd, wordt nader onderzocht. De ’schat’ bestaat uit 24 in Nieuw-Loosdrecht gevonden middeleeuwse munten. Als het meezit, kan het onderzoek interessante nieuwe gegevens over de (deels) gouden munten opleveren.

Dat vertelt historicus Jan Pelsdonk, conservator munten en penningen verbonden bij Teylers Museum in Haarlem. De Loosdrechtse muntschat ligt sinds 2010 in het museum aan het Spaarne.

Nieuwe techniek

Tot nu toe is alleen de buitenkant van de goudschat onderzocht. Daardoor is de herkomst van de munten bekend en ook ruwweg in welk tijdvak ze zijn geslagen. Met een nieuwe techniek hoopt Pelsdonk nu te komen tot ’een nadere datering’, laat hij desgevraagd weten. ,,Ook kunnen we misschien de herkomst achterhalen van het metaal waaruit de munten bestaan, bijvoorbeeld of dat uit een Duitse mijn afkomstig is of uit Afrika.’’

Ongeveer tienduizend voorwerpen heeft Teylers Museum van februari tot en met augustus dit jaar onderworpen aan een zogeheten XRF-scan. XRF staat voor röntgenfluorescentie. Met dat hulpmiddel kan worden bekeken uit welk metaal of welke metalen de binnenkant van een munt bestaat. Met een variant van deze techniek hebben wetenschappers van de Leidse universiteit eerder onzichtbare en onleesbare middeleeuwse teksten tevoorschijn getoverd. En in 2011 was het groot nieuws dat dankzij XRF-techniek onder een schilderij een (ouder) zelfportret van Rembrandt was aangetroffen.

Ook de Loosdrechtse muntschat is inmiddels gescand. Wanneer de gegevens die dat heeft opgeleverd worden bestudeerd, kan Pelsdonk nog niet zeggen. ,,Er staat geen druk op’’, met andere woorden: het kan nog wel even duren. Bovendien waarschuwt hij tegen al te overspannen verwachtingen: ,,Het onderzoek kan interessante gegevens opleveren, maar wellicht wordt het niets’’.

Hoe dan ook is een nieuwe episode aangebroken in de toch al intrigerende geschiedenis van de Loosdrechtse muntschat. Pelsdonk beschrijft die wederwaardigheden in het jongste nummer van het Gooise archeologische tijdschrift Archeologica Naerdincklant.

Het hele verhaal begon met een probleem van veehouder Ab Prinsen. Achter zijn boerderij (Nieuw-Loosdrechtsedijk 201, aldus Jaarboek Naerdincklant 2006) had hij een stuk land liggen waar hij dagelijks zijn koeien molk. Omdat het daar nogal drassig was, besloot hij met zijn zoon Jan een afwateringsgeul te graven. We schrijven oorlogsjaar 1941.

Kannetje

Tijdens het graven stuitten ze ’een spit diep in de grond’ op een stenen kannetje met daarin 28 gouden munten. Via plaatsgenoot Henk Aalberts belandden ze bij het Centraal Museum in Utrecht en uiteindelijk bij de destijds bekende numismaat (muntendeskundige) Schulman. Deze taxeerde de waarde van de middeleeuwse vondst op 1.500 gulden. Voor dat bedrag nam Aalberts de ‘schat’ over van Prinsen. Kort na de oorlog verkocht hij de munten weer om van de opbrengst te gaan studeren.

Veiling

Daarna trad een jaren durende stilte in. Totdat in 2010 een zoon van de inmiddels overleden koper van vlak na de oorlog de Loosdrechtse muntschat ter veiling aanbood bij . . . de Amsterdamse firma Schulman. De nieuwe eigenaar werd Stichting Roodenburg van Looy. Die voegde kannetje plus munten toen aan haar collectie, die ook nu nog wordt beheerd door Teylers Museum.

Eindelijk kon daar de Loosdrechtse muntschat eens gedegen worden onderzocht. De stenen kan bleek in de tweede helft van de vijftiende eeuw te zijn vervaardigd in het (Duitse) Rijnland. Van de oorspronkelijk 28 munten die vader en zoon Prinsen hadden opgegraven, waren er in de loop der jaren vier zoekgeraakt. Ze zijn nooit meer teruggevonden.

Karel V

De jongste munt uit de stenen kan is er een uit een serie die vanaf 1500 werd geslagen. Dat wil dus zeggen dat de Loosdrechtse muntschat niet eerder dan dat jaar kan zijn begraven. Onder Karel V (1506-1555) werden veel zogenoemde philipsguldens geslagen, maar daarvan zat er in de kan niet één. Al met al nemen muntendeskundigen aan dat de schat tussen 1500 en 1506 is begraven, mogelijk bij een boerderij, maar misschien juist wel binnenshuis.

In 2010 is een zogeheten gehaltetest op de munten gedaan. De toegepaste methode maakte het echter – anders dan de scan die anno 2016 is uitgevoerd - alleen mogelijk het goudgehalte aan de buitenkant van de munten te meten. De Portugese cruzado op naam van Joao II (1481-1495) sprong daarbij in het oog: deze destijds populaire handelsmunt is van bijna zuiver goud. Ook hoog scoorde een munt uit de Palts van Lodewijk III (1410-1436) met een goudgehalte van 82,7 procent – aan de buitenkant.

742 stuivers

Leuk is dat Pelsdonk ook de vraag opwerpt wat de Loosdrechtse muntschat destijds eigenlijk waard was. Voor het antwoord gebruikt hij een in de numismatiek (het Latijnse nummus betekent munt, net als het Griekse nomisma) ‘relatief onderbelichte bron’: de rekeningen van omstreeks 1500 van cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst bij Noordwijkerhout. Die bevatten veel gegevens over de toenmalige prijzen van arbeid, vee en ambachtelijke producten.

De ’Loosdrechtse’ munten hadden bij elkaar een waarde van ongeveer 742 stuivers, aldus Pelsdonk. Daarvoor kon je rond 1500 pakweg 165 ganzen kopen, of 22 vaarzen, drie merries, elf varkens of vier ossen. Voor dorstige kelen was die berg stuivers goed voor 674 liter bier of 202 liter Rijnwijn. Of een boer kon er knechts 165 uur voor laten maaien of 198 uur laten hooien.

De Loosdrechtse ’schat’ was ruim vijfhonderd jaar geleden dus bepaald minder dan het bezit van een rijkaard, maar een mooie spaarport was het wel degelijk.

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.