Harde handen helen

Fysiotherapeut Paul Ruger aan het werk met Jan Krijgen.
© ©STUDIO KASTERMANS
Huizen

Helpende handen zijn handen van liefde, van koestering, van bescherming. Maar helpende handen kunnen ook hard zijn. De harde hand die je helpt vooruit te komen. Zoals die van een fysiotherapeut in een revalidatiecentrum.

Hoe vertrouwd allemaal. De gangen waar we je dagelijks in je rolstoel doorheen duwden. Op weg naar het ’gezellige’ zitje, waar de kinderen enthousiast chocolademelk tapten, wij spraken over een toekomst na de duistere tunnel waarin we als gezin zo plotseling terecht waren gekomen. Hier hard werken en dan zou het heus beter worden. En daarna lieten we je weer achter in de groepsruimte. Mijn ooit zo sterke partner, na een herseninfarct, alleen en afhankelijk.

In diezelfde groepsruimte is vanochtend, tien jaar later, de ontbijtbegeleiding bezig. Vijf patiënten die nog niet zo lang in revalidatiecentrum De Trappenberg in Huizen verblijven, worstelen met voorverpakte boter en beleg. Drie therapeuten kijken aandachtig toe.

,,Zou je niet eens willen proberen om het brood met korstjes te eten?” (de logopedist, die onder meer let op de slikreflexen.) Ze schieten waar nodig te hulp. ,,Hier, gebruik dit speciale mes maar om je boterham te snijden.’’ - (de ergotherapeut, die leert hoe je met een beperking zoveel mogelijk zelfredzaam kunt zijn). En ze geven aanwijzingen: ,,Kun je meer rechtop gaan zitten en leg de arm die je niet kunt gebruiken liever op tafel. Daarmee voorkom je pijnklachten in je schouder en blijf je gefocust op die arm.’’

Die laatste aanwijzingen komen van fysiotherapeut Paul Ruger (58) uit Huizen. Hij werkt al 32 jaar in De Trappenberg, waarvan de laatste vijftien jaar op neurologie. Patiënten die als gevolg van hersenletsel geheel of gedeeltelijk verlamd zijn geraakt probeert hij letterlijk en figuurlijk weer op de been te helpen.

Niet prettig

Voor tachtig procent zijn dat mensen die getroffen werden door een beroerte. Uit de rolstoel en zoveel mogelijk zelfredzaam, dat is het doel. Om dat te bereiken moet hij wel ’hard’ zijn. ,,Van niets doen word je niet beter. Het is echt een kwestie van ’use it, or loose it.’’ (wat je niet gebruikt, verlies je -red).

Twee keer in de week begint Rugers werkdag met de ontbijtbegeleiding. Natuurlijk is hij zich er van bewust dat ontbijten terwijl je voortdurend wordt bekeken, niet prettig is. Maar de sessies zijn naar twee kanten toe nuttig. De therapeuten zien wat er goed gaat en wat er geoefend moet worden, terwijl de patiënten dankzij de aanwijzingen minder afhankelijk worden.

Een half uurtje en dan beent Ruger, met onder zijn arm een laptop waarop ieder detail van zijn patiënten nauwgezet wordt bijgehouden, door de lange gangen van het centrum naar zijn eigen domein, de oefenruimtes. Vanaf negen uur meldt zich daar ieder half uur een andere patiënt. Soms lopen die behandelingen deels door elkaar heen. Terwijl de een een experimentele vorm van elektrostimulatie ondergaat om zijn loopfunctie te verbeteren, doet Paul in een aangrenzende zaal valoefeningen met een ander.

,,Best wel een tijd hè, 32 jaar’’, zegt de fysiotherapeut als zijn drukke schema even tijd laat voor een kopje koffie. ,,Tegenwoordig wordt dat gek gevonden. Misschien is het dat ook wel als je ander werk doet. Maar wat ík doe, maakt een verschil. En dat zorgt ervoor dat ik het volhoud.’’

Kippenvel

Ondanks al die jaren in het vak zijn er ook voor Ruger nog steeds momenten waarop hij geraakt wordt. ,,Ja’’, beaamt hij desgevraagd, ook hij voelde het verdriet dat een van de patiënten bij de ontbijtsessie uitstraalde. Een relatief jonge man nog, na een beroerte net opgenomen in het revalidatietraject, dat hier gemiddeld drie maanden duurt. Ontredderd en zo verdrietig. Ontdekt dat zelfs de eenvoudigste handelingen niet meer eenvoudig zijn als je gedeeltelijk verlamd bent. Verzucht terwijl hij tevergeefs probeert een boterham te snijden: ,,Het was allemaal zo vanzelfsprekend.” Ruger: ,,Ja, dat verdriet, het bezorgde me kippenvel”.

Het werk wordt hervat. Kreunend en met een van inspanning vertrokken gezicht voert Jan Krijnen de oefening uit die hem door Paul is opgedragen. En weer. En nog een keer. Net zo lang totdat Ruger hem verlost. ,,Mooi. Goed man’’. Heftig zwetend ontspant Jan en zegt: ,,Het kwam niet alleen uit m’n tenen, maar uit iedere vezel in mijn lichaam. Tot mijn haarwortels aan toe.” Een paar maanden geleden kwam Krijnen hier binnen. Kon niets meer na een verwoestende streptokokkenvergiftiging. En nu staat hij weer, zij het nog wankel. Geeft een stevige hand en kan zichzelf voortbewegen in een rolstoel.

Als zijn oefenhalfuurtje er op zit, zegt Krijnen: ,,Beulen zijn het. Maar wel beulen van het goede soort. Zonder hen was ik nooit zo ver gekomen. Ze dwingen je over je grenzen heen te gaan. Steeds weer. En dat is precies wat je nodig hebt om verder te komen.’’

Voor ons ligt dit alles inmiddels ver achter ons. Partner is weer thuis en, dankzij Ruger en zijn collega’s, behoorlijk zelfredzaam. Maar soms, als we iets van achteruitgang bespeuren, is er weer het verlangen naar De Trappenberg. Even een halfuurtje sparren met Paul.

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.