De ene hamstringblessure is de andere niet

Sportarts Maarten Moen

Sportarts Maarten Moen

Robert Berkeley
Naarden

Hamstringblessures lijken bij voetbal te horen, zoals de blauwe envelop bij de belastingdienst. Soms beheersen deze blessures de sportmedia zelfs, helemaal als ze aan het been van Messi, Ronaldo of Robben toebehoren.

Ook dit WK in Brazilië kent talrijke slachtoffers. In het Nederlandse kamp was Leroy Fer op de training de klos, kort na de wedstrijd tegen Chili. Hij speelt nog steeds niet. Tegen Ghana liepen liefst twee spelers van de VS een hamstringblessure op.

Door het Amerikaanse team werden verschillende prognoses afgegeven: Besler zou spoedig weer aan spelen toekomen, terwijl Altidore best wel eens een aantal wedstrijden zou kunnen missen. Door de uitschakeling tegen België zal helaas nooit duidelijk worden wanneer hij precies weer had kunnen spelen.

Door druk van onder meer de media zijn teams vaak geneigd een uitspraak te doen over de ingeschatte duur van het herstel. De vraag is of deze inschatting wel zo nauwkeurig te maken is. De prognose van een hamstringblessure wordt over het algemeen bepaald door de medische staf. Deze geeft advies aan de coach, die vervolgens besluit een speler wel of niet op te stellen. Maar waar wordt de prognose op gebaseerd? Gaat ’t om fingerspitzengefühl, of kan de wetenschap een helpende hand toesteken?

Het lijkt er steeds meer op dat bij topsporters een combinatie van lichamelijk onderzoek en een MRI de prognose ondersteunt. Bij dat eerste wordt vaak gekeken naar de mogelijkheid het been te strekken bij liggen op de rug. Hoe minder het geblesseerde been te strekken is, vergeleken met het andere been, des te langer zal het herstel duren. Bij het verrichten van een MRI kijken de teamarts en radioloog met name naar de uitgebreidheid van de afwijking op de scan. Geen afwijking (graad 0) betekent het kortste herstel, wanneer er veel vocht wordt gezien (graad 2) duurt het langer.

Een MRI draaien dus en klaar is Kees (of Messi)? Helaas is het niet zo simpel. Bij een zelfde afwijkingsgraad kan het zijn dat de ene speler een stuk sneller weer op het veld te bewonderen is dan de andere. Er bestaat een behoorlijke spreiding in de dagen tot herstel binnen de verschillende typen hamstringblessures. Dat maakt ’t voor een medische staf extra moeilijk een geloofwaardige prognose af te geven. Ervaring, onderbuikgevoel en boerenwijsheid spelen een rol.

Wat de medische staf in elk geval altijd kan zeggen: de ene hamstringblessure is de andere niet. Maar of een coach met zo’n uitspraak genoegen neemt...

Meer nieuws uit Sport Regionaal