Dierendag?

We reden door Frankrijk op weg naar huis en dachten: kom, laten we weer eens gaan kijken. Jarenlang hadden we een boerderij in het dorpje Blanchefosse, Franse Ardennen, zeventig inwoners verdeeld over tien boerderijen en twaalf huizen. We denken er nog vaak aan: de vossen, het beekje, de jagers in het najaar, de boer die ook de burgemeester was en onze buren monsieur en madame Boisson met zoon Pierre, toen elf jaar oud. Het was overal op de wereld 2001 behalve in Blanchefosse: sinds 1930 was het daar 1930.

Hoe zou het met kleine Pierre zijn? En vooral: met zijn vrijetijdbesteding? Mijn zoon Jaap, toen ook een jaar of tien, kwam een keer onthutst binnen: ’Kom gauw. Weet je wat Pierre aan het doen is? Hij schiet op zijn konijnen’. Het klopte.

Als we iéts hebben overgehouden aan Blanchefosse en haar bewoners is het de middeleeuwse omgang met dier en huisdier. Samengevat: alles voor het nut en voor het nuttigen. Het woord ’huisdier’ was maar een rare softe Hollandse uitvinding. Dierendag? Laat me niet lachen. Kleine Pierre moest later een goede jager worden, daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen, hij mocht op zijn eigen konijnen oefenen.

Proefkonijnen.

Achter in de tuin leefden twaalf jonge konijnen in een gazen ren. Toen Pierre zeven jaar was mikte hij vanaf vier meter, toen hij acht jaar was vanaf vijf meter, op elke verjaardag kwam er een metertje bij. Niet alleen Jaap was verontwaardigd, wij ook.

Maar de buren keken ons niet begrijpend aan: menen jullie dat, worden konijnen in Holland wel eens drie jaar oud? Zelfs vier? In een hok met stro? Of we in Holland gek waren, een wortel en van die korrels dat kost toch geld? Hollanders, slim met die dijken maar verder: merkwaardig spul.

Hún zoon kreeg gelukkig een allround opvoeding. Pierre wees soms een kip aan: ’Hollander, die kip daar, die eten we dit weekend’. Pierre wees naar een schaap: ’Hollander, die is uitgekozen voor het dorpsfeest’. De honden waren voor de waak, de kat was er voor de muizen. Pierre: ’Hollander, kat is weg, was mank geworden’. Met die gedachten reden we na zestien jaar Blanchefosse weer binnen: proefkonijnen, schaap aan het spit, het watjeswoord ’Hollanders’.

Pierre vroeg ons binnen, vanzelfsprekend rode wijn. Hij was nu bijna dertig, zijn ouders waren vroeg overleden, hij had een zoontje, Philippe, een zoontje ’waar wat mee was’. Overduidelijk down. Liefdevol trok Pierre het negenjarige jochie naar zich toe. Opeens gebaarde het knulletje ons; we moesten mee naar de bij-bijkeuken.

In een overdekte ruimte, in een solide hok zat een konijn. Zeven jaar oud, al jaren de levende knuffel van Philippe. Vader Pierre keek ons verontschuldigend-glimlachend aan: ’Oui, oui, dat begrijpen de Hollanders wel’. We lachten ook maar wat. Hollanders en jongetjes als Philippe, het is even wennen maar ze bestaan.

Meer nieuws uit GE

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.