De G&E traint mee: Het vaantje liegt nooit

Bob Heineke (rechts) stelt verslaggever Edward de Vries Lentsch gerust: ,,Hij kan niet omslaan, hoogstens water scheppen.’’

Bob Heineke (rechts) stelt verslaggever Edward de Vries Lentsch gerust: ,,Hij kan niet omslaan, hoogstens water scheppen.’’© Foto Studio Kastermans

Edward de Vries Lentsch
Loosdrecht

„Het vaantje liegt nooit en niet op het werk zitten.” Dat (en veel meer) leerde de Loosdrechtse zeilkampioen Bob Heineke al lang geleden van zijn grote voorbeeld Martin. Die wijze zeilles zal mij in ieder geval bijblijven, na de trip in de Pampus van Heineke.

Pampus, dat klinkt bekend. Het is een oud ontwerp van werf Het Fort in Nieuwendam, van mijn eigen familie. Maar als enige niet-zeiler in een watersport-clan, herken ik slechts de naam. Hoe dat komt, is verklaarbaar. Hoewel mijn vader als zeiler meedeed aan twee Olympische Spelen (Londen 1948, Helsinki 1952) was zijn belangstelling voor het overdragen van zijn zeilkunde vrijwel afwezig.

Hij had, ondanks zijn vak als jachtontwerper, ook niet ergens een eigen zeilbootje liggen. Wel gingen we twee weken per jaar in (geleende) kajuitjachten de Noordzee over. Ik voornamelijk als zwaar zeezieke passagier/het kind aan boord. Een bemanningslid heb ik mezelf nooit gevoeld. Dat ik als jochie een reddingvest (ouderwets met kurkvulling) aan kreeg, waarin ik tijdens een test in de branding op Terschelling bleek te zinken, is achteraf gezien wat merkwaardig. Dat geldt ook voor die keren dat de laatste vakantiedag werd gemarkeerd door een daverende klap op een zandbank, in het zicht van de haven. Vooral omdat pa weer eens een eigenwijze koers richting de thuishaven aanhield, daarbij de betonning straal negerend. Desondanks bleef hij, in mijn kinderogen, de beste zeiler ter wereld.

„Vanzelfsprekend”, vindt Bob Heineke dat als ik deze geschiedenis aanstip. We hebben net een tripje in de Pampus gemaakt die helemaal is gefinetuned voor het wedstrijdzeilen. Met mij aan het roer en een onbeduidend briesje in de zeilen, zwabberen we ondoelmatig over de plas. Gelukkig geeft Bob steeds begrijpelijke instructies. Ik zie door het zeil ook totaal niet wat van bakboord op me afkomt. Maar daar heb je juist het bemanningslid bij de fok voor, maakt Bob me duidelijk. „Wedstrijdzeilen is teamwerk en vergt uiterste concentratie.” En dat je de wind goed moet inschatten, op het water moet opzoeken, donkere vlekken, en dat windvaantje (een pijl) dus bovenin de mast. En zeker niet, zoals ik, ’op het werk’ (touwen voor de fok) gaan zitten, want dat levert in een wedstrijd hopeloos tijdverlies op. Als de wind plotseling even wat aantrekt, gaat de Pampus schever, en krijg ik vanuit mijn buik een schrikseintje. Bob praat rustig door, dus het zal wel goed zijn. „Hij kan niet omslaan, hoogstens water scheppen. Maar dat heb ik nog nooit meegemaakt, dan doe je inderdaad iets heel erg fout, haha.”

Zelf heeft Bob dankzij zijn vader spelenderwijs kennis gemaakt met de zeilerij. „Als je vijf, zes bent, moet je eerst je angst overwinnen. Daarna trainingen, clubwedstrijdjes, uiteindelijk wedstrijden en kampioenschappen. Tot mijn elfde (in de Optimist) vond mijn vader de plas als plek om te leren voldoende. Tegenwoordig zie je ouders die fanatieker zijn dan de kinderen zelf. Daar gaat dan bijna de zweep overheen. Pa heeft tegen mij altijd gezegd: dat heeft geen zin. Als je echt goed wil worden, dan moet het uit je zelf komen, dan moet je dat niet forceren. Mijn vader wilde mij en mijn zus ook niet afschrikken, want als we uiteindelijk niet zouden gaan varen, zou hij dat doodzonde vinden.”

Martin Heineke trakteerde zijn bemanning op een gevulde koek, als blijk van waardering na een wedstrijd. Zoon Bob geeft me na afloop een colaatje. Aan mijn ’prestatie’ kan het niet hebben gelegen. Maar het gebaar wordt, met vaste grond onder de voeten en schitterend uitzicht op de plas vanaf het terras van watersportvereniging De Vrijbuiter, zeker gewaardeerd.

Meer nieuws uit Sport Regionaal