Grunberg spreekt Bill Mincolezing uit

Peter Schat
Hilversum

Schrijver Arnon Grunberg hield op 4 mei in Gooiland de Bill Minco Lezing in Hilversum. Hieronder de Letterlijke tekst van zijn lezing, met als titel 'Het ontslapen woord'.

Het is niet vanzelfsprekend dat wij zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog hier nog staan. Het menselijk geheugen is beperkt, ons historisch besef gemankeerd en de neiging tot vergeten en verdringen een onmisbaar onderdeel van de menselijke overlevingsstrategie.

Voor zover herdenken zich in de beslotenheid van de huiskamer afspeelt, een zaak blijft van het individu, is het eerst en vooral wat Freud noemde: rouwarbeid. Over deze arbeid merkte Freud op dat die er uiteindelijk toe leidt dat ’ontzag voor de realiteit de overhand krijgt’. Maar een officiële herdenking is meer en wíl meer zijn dan rouwarbeid. Zij is niet neutraal noch apolitiek, zij toont wie wij willen zijn en hoe wij ons verhouden tot het verleden, zij is een bouwsteen van collectieve identiteit.

Wij staan hier omdat het nazisme, het Derde Rijk, een waterscheiding betekende in de geschiedenis van de mens. Ik zeg nadrukkelijk: de mens. Niet de Nederlander, niet de Jood, niet de Duitser, zelfs niet de Europeaan. Dat doe ik omdat de industriële vernietiging van miljoenen mensen, vrouwen, mannen en kinderen, Joden, zigeuners, politieke gevangenen, homoseksuelen, geesteszieken, minderwaardig geachte volkeren zoals de Polen, zorgvuldig voorbereid en efficiënt uitgevoerd, ons mensbeeld heeft aangetast. En dat mensbeeld gaat iedereen aan die zich mens noemt, voor zover wij er tenminste van uitgaan dat er een gedeelde menselijkheid bestaat, voor zover wij vasthouden aan het ideaal en de praktische vaststelling dat wij mensen iets fundamenteels delen, hoe verschillend onze gewoontes, onze overtuigingen en onze tradities op het eerste gezicht ook mogen lijken.

Hoe te leven met een beschadigd misschien wel vernietigd mensbeeld? Wat betekent het woord ’beschaving’ nog als die beschaving niet in staat

bleek haar eigen idealen waar te maken? Niet lang geleden, eigenlijk vrij recent – er leven immers nog altijd ooggetuigen, zij het niet veel meer – schoten in het hart van wat wij de beschaving noemen, filialen van de hel als paddestoelen omhoog, met stilzwijgende toestemming van de meeste burgers, met actieve medewerking van veel andere burgers. Daardoor is het vertrouwen in de ander, en daarmee in onszelf, fundamenteel beschadigd, en niets wijst erop dat het vertrouwen werkelijk hersteld is. Jean Améry, geboren als Hans Mayer in een Joods maar volstrekt geseculariseerd gezin in Wenen in 1912, gefolterd door de nazi’s in België, overlevende van onder andere Auschwitz, heeft belangrijke dingen gezegd over dit geschonden vertrouwen. Hij schreef: ’Wie ooit gefolterd is, voelt zich nooit meer thuis in deze wereld. De smaad van de vernietiging laat zich nooit meer uitwissen. Het vertrouwen in de wereld, dat al deels bij de eerste klap en later tijdens de foltering in zijn volle omvang wordt gebroken, komt nooit meer terug. Dat de medemens als tegenmens wordt ervaren, staat als een hoge muur van verschrikking in de gefolterde overeind; daar kan niemand overheen kijken naar een wereld waarin de hoop regeert.’

Wij zijn niet de gefolterden noch zijn wij de folteraars van Hans Mayer en miljoenen anderen, maar in zekere zin zijn wij getuigen. Wij herdenken namelijk om de getuigenissen van ooggetuigen als Améry voort te laten leven. Dat is de morele opdracht die wij onszelf moeten geven en als wij die opdracht serieus nemen, dan moeten wij erkennen dat wat de ooggetuigen hebben gezien ook ons vertrouwen breekt. Dat ook wij niet over de muur kunnen kijken naar een wereld waar hoop regeert. De mens na het Derde Rijk is wezenlijk anders dan degene die ervoor bestond.

In zijn boek Schuld en boete voorbij schrijft Améry dat Jean-Paul Sartre noteerde dat hij er dertig jaar over heeft gedaan zich te ontdoen van traditioneel, filosofisch idealisme, maar Améry merkt op dat dat in Auschwitz stukken sneller ging. En hij haalt een landgenoot aan, de aforist en essayist Karl Kraus, die stierf voor de nazi’s hem konden doden. Kraus schreef over het Derde Rijk: ’Het woord ontsliep toen die wereld ontwaakte.’ Améry voegt daaraan toe: ’En wij blijven niet eens achter met het gevoel dat wij zijn heengaan moeten betreuren.’

Wat is precies dat woord dat is ontslapen? Dat is het humanistische woord, dat is de optelsom van onze cultuur en onze beschaving, van datgene waar wij dikwijls beweren trots op te zijn. Op het eind van onze beschaving kwam niet de socratische dialoog, op het eind stond de beulsknecht.

Net als andere overlevenden vraagt Améry zich vertwijfeld af of wij werkelijk iets hebben geleerd. Nee, het Derde Rijk bestaat niet meer, en niet

alle beulsknechten mogen met elkaar vergeleken worden, maar het folteren, dat Améry als essentie van het Derde Rijk beschouwde, is niet gestopt. Ook dat is het doel van herdenkingen als deze: antwoord geven, of althans proberen te geven, op de vraag hoe wij, die ons niet meer zonder voorbehoud kunnen vereenzelvigen met de humanistische idealen van vóór de slachtpartijen van de twintigste eeuw, wij die leven in een wereld waar een muur staat tussen ons en het universum waar hoop regeert, toch iets van een ideaal kunnen formuleren, naar iets van hoop kunnen verwijzen; bescheiden, vol aarzeling, onzeker. Misschien kunnen we dat vinden in het besef dat spreken over wanhoop ook een vorm van hoop is. Het doorgeven van getuigenissen is eveneens te beschouwen als een poging tot kennisoverdracht. Wij herdenken namelijk geen abstracties, maar mensen die een specifiek leven hebben geleid en op een specifieke manier en op een specifieke plaats zijn omgebracht.

Améry schreef dat het kwaad alleen banaal is voor hen die het niet aan den lijve hebben ervaren, die het uitsluitend kennen toen het al opgesloten was in een kooi. Een doel van bijeenkomsten als deze zou moeten zijn, hoe onmogelijk misschien ook, ons te verplaatsen in de ooggetuigen, in hen die dat kwaad aan den lijve hebben ervaren, die zijn teruggekeerd, of niet, die een graf in de wolken hebben gevonden.

Eigenlijk had mijn moeder hier moeten staan, om als ooggetuige te vertellen over haar leven tijdens de opkomst en bloei van het Derde Rijk. En het wás ook de bedoeling geweest dat ze hier naast me had gestaan, of had gezeten. Nu moet ik spreken als was ik haar bode. Ik zal niet namens haar spreken, voor zover dat überhaupt mogelijk is, maar in haar plaats, als een plaatsvervanger.

Mijn moeder werd op 8 juni 1927 geboren in Berlijn in een Joods gezin. Ze was enig kind. Haar voorouders leefden al generaties in Duitsland. Ze woonde vanaf haar derde op de hoek van de Düsseldorfer Strasse en de Uhlandstrasse, niet ver van de Kurfürstendamm. Tot de Kristallnacht.

Toen verhuisde ze met haar ouders uit angst voor razzia’s naar een kleinere woning van een tante, tante Rosi. Met de Kristallnacht kwam ook een einde aan de schooltijd van mijn moeder.

Haar vader had met grote moeite visa bemachtigd voor Cuba, voor zijn gezin, voor mijn moeders grootouders en voor mijn moeders nicht en haar tante. De boot, de St. Louis, de laatste boot met Joodse vluchtelingen die Duitsland zou verlaten, voer op 13 mei 1939 de haven van Hamburg uit. Mijn grootouders hadden spullen bij zich om een pension te beginnen; ze waren van plan op Cuba een soort bed & breakfast te openen.

Toen de St. Louis eenmaal Cuba bereikt had, op 26 mei 1939, bleek de Cubaanse regering van gedachten te zijn veranderd, de visa werden ongeldig verklaard. Er volgden lange onderhandelingen; Cuba verklaarde zich bereid uitsluitend de christenen op te nemen. Ook Amerika weigerde de vluchtelingen toegang te verlenen.

Op 8 juni 1939, mijn moeders twaalfde verjaardag, naderde de St. Louis voor de tweede keer binnen enkele weken de Azoren. De vluchtelingen waren teruggestuurd naar Europa; mijn grootouders zouden geen pension op Cuba beginnen.

Nederland, Frankrijk, België en Engeland verklaarden zich bereid vluchtelingen op te nemen. Mijn moeder kwam met haar familie in Nederland terecht. Eerst op Heijplaat in Rotterdam, later in het Lloyd Hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam, ooit een jeugdgevangenis, later een detentiecentrum voor Joodse vluchtelingen, nu een hotel met dezelfde naam. De vluchtelingen hadden een verlofpasje nodig om het Lloyd Hotel te verlaten. Alleen de schoolgaande kinderen, onder wie mijn moeder, had een dagelijkse vergunning om naar een speciale school voor immigrantenkinderen te gaan in de Dufaystraat, vlakbij de Lairessestraat. Mijn moeder was verliefd op Alfred Walter, een jongen die veertien jaar ouder was dan zij. Hij heeft de oorlog niet overleefd, volgens een Joods monument is hij op 4 mei 1945 ergens in Beieren gestorven.

Toen de Duitsers Nederland binnenvielen werd mijn moeder met haar ouders overgeplaatst naar kamp Westerbork in Drenthe. Zij maakten de reis

naar Drenthe met de boot over de Zuiderzee. Mijn moeder werd lid van de Schülerkreis, een soort van jeugdvereniging – officieel mocht er geen

jeugdvereniging zijn in Westerbork, daarom werd de vereniging Schülerkreis genoemd –, opgericht door Leo Blumensohn, een Joodse jongeman uit Frankfurt am Main. Op zaterdagmiddag kwamen de leden van de Schülerkreis bijeen; zij zongen, discussieerden of lazen, voorafgaand was er een synagogedienst. Op zondag werd er gesport. Er werd vooral trefbal gespeeld. Mijn moeder was erg slecht in trefbal.

Vanaf juli 1942 veranderde kamp Westerbork in Lager Westerbork. De transporten begonnen. Een van de eerste transporten was een transport met weeskinderen. Salo Carlebach, een van de leiders van de Schülerkreis – mijn moeder was verliefd op Salo Carlebach – meldde zich vrijwillig om met de wezen mee te gaan. Het transport is meteen na aankomst in Auschwitz vergast. Vanaf 14 jaar moest iedereen werken in Westerbork. Dankzij bemiddeling van haar ouders werd mijn moeder tandartsassistente bij tandarts Lieblein.

Op 18 januari 1944 vertrok een groot transport uit Westerbork naar Theresienstadt, een zogeheten Vorzugslager. Daar zat mijn moeder, met haar ouders, grootouders, nicht en tante in. Mijn opa liet zich op een lijst zetten van Frontkämpfer – hij had als soldaat in de Eerste Wereldoorlog aan Duitse zijde meegestreden – in de hoop zo aan deportatie te ontkomen. In Thereresienstadt werd mijn moeder samen met haar nicht Ruth kleuterleidster van een klasje van kinderen dat vanuit Nederland naar Theresienstadt was gedeporteerd.

Eind augustus 1944 zou het Deense Rode Kruis op bezoek komen in Theresienstadt en werd het kamp omgetoverd in een soort sprookjeswereld onder het motto: ’Hitler schenkt den Juden eine Stadt.’

Mijn moeder studeerde met haar kleuters een toneelstuk in voor dit bezoek, maar tot opvoering kwam het niet.

Kort daarna begonnen de laatste transporten uit Theresienstadt. Op 28 september 1944 vertrok een groot mannentransport, waarin ook mijn opa zat. De tunnel tussen het kamp Theresienstadt en de vertrekplaats van de treinen werd de Schleuse genoemd. Mijn moeder had van haar moeder

opdracht gekregen door de Schleuse te gaan om bij Oberscharführer Rahm een goed woordje voor haar vader te doen, zodat hij niet op transport

zou hoeven. Het was voor mensen die niet op transport gingen strikt verboden door de Schleuse te gaan. Mijn moeder durfde niet, diverse malen

probeerde ze door de Schleuse te gaan, diverse malen kwam ze onverrichter zake terug; haar hele leven kon zij de tweestrijd van dat moment blijven voelen.

Het mannentransport van 28 september 1944 is vrijwel volledig direct na aankomst in Auschwitz vergast.

Een week later gingen de familieleden van de mannen die op 28 september op transport waren gegaan, onder wie dus mijn moeder en oma. Mijn moeders nicht en tante en haar grootouders bleven achter in Theresienstadt.

op 7 oktober 1944 kwam het transport met mijn moeder en mijn oma aan in Auschwitz. Bij een sluis vonden selecties plaats. Mijn moeder werd van haar moeder gescheiden. Ze durfde aan de SS-officier die de selecties deed te vragen: ’Da geht meine Mutter, darf ich da auch mitgehen?’ Waarop de SS-officier vroeg: ’Wie alt bist du?’ ’Ich bin siebzehen Jahre alt,’ zei mijn moeder. ’Dann gehe dorthin,’ zei de officier, die een andere kant opwees, ’und deine Mutter siehst du auch bald wieder.’ Mijn moeder heeft haar moeder nooit meer gezien.

Na een verblijf in Auschwitz werd mijn moeder getransporteerd naar een vliegtuigfabriek in Freiberg, niet ver van Dresden. Mijn moeder maakte daar vliegtuigen, althans ze moesten gaten boren in de vleugel. In de fabriekshallen van de fabriek waar mijn moeder vliegtuigen maakte – vóór de oorlog was de vliegtuigfabriek een porseleinfabriek geweest –, ontmoette ze op een ochtend een jonge Wehrmachtsoldaat die tegen haar zei: ’Wenn es Frieden wäre, wüde ich allzu gern mit Dir spazierengehen. Vielleicht kann ich Dich an dieser Stelle im Saal öfter treffen.’ En hij gaf mijn moeder wat van zijn worst en brood. Zij was in de zevende hemel.

Toen het front dichterbij kwam is mijn moeder samen met andere vrouwen naar Mauthausen, een kamp in Oostenrijk, gebracht. De meeste overgebleven Joden en andere gevangenen werden de maanden voor de ineenstorting van het nazi-regime kriskas door het steeds kleiner wordende Derde Rijk vervoerd. Op de zogeheten dodenmarsen zijn nog duizenden omgekomen. In Mauthausen is mijn moeder bevrijd.

Laat ik afsluiten met de woorden van een andere ooggetuige, M.S. Arnoni, overlevende van Auschwitz; zijn zuster en ouders zijn in de kampen vermoord. Hij keert jaren later terug naar Polen en doet verslag van die reis in zijn boek Moeder was niet thuis voor haar begrafenis. Hij schrijft: ’Ik ging naar Polen om het verleden te begraven, maar het laat zich niet begraven.’ Hij noteert dat hij nooit gescheiden had mogen worden van de doden. Ook concludeert hij dat de mensheid niets wezenlijks heeft geleerd – ik vrees soms dat hij gelijk heeft. Arnoni sluit af met de zin: ’Moeder, ik schaam me, ik ben nog steeds onder de levenden.’

Zijn schaamte is niet de onze, kán niet de onze zijn, maar iets van zijn schaamte zit in ons, móet in ons zitten.

Twee namen wil ik nog noemen, want de doden leven voort als ze genoemd worden. Ruthild Grünthal, een goede vriendin van mijn moeder in Westerbork. Mijn moeder bewonderde Ruthild om haar intelligentie en haar wijsheid. Op 28 februari 1945 is Ruthild Grünthal vermoord. En Karlchen Weisz, een van de kleuters die mijn moeder onder haar hoede had in Thersienstadt. Karlchen was geboren in Westerbork, in Theresienstadt was hij drie jaar oud. Hij wilde nooit zijn jasje uitdoen en op de vraag van mijn moeder ’waarom niet?’ antwoordde hij: ’Het kan gestolen worden.’ Mijn moeder schrijft in haar memoires: ’We hadden al onze overredingskunsten nodig om hem te overtuigen dat het jasje wel veilig was. Hij keek ons dan treurig aan met zijn prachtige, amandelvormige donkerbruine ogen en geloofde ons toch niet.’ Datum en plaats waar Karlchen Weisz is vermoord zijn mij niet bekend.

Arnon Grunberg

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.