Julia Navarro mist de juiste toon

Sonja de Jong

Haar bedoelingen zijn ongetwijfeld oprecht. Maar dat levert helaas niet automatisch een goed boek op. In ’Schiet maar, ik ben toch al dood’ slaagt Julia Navarro (1953) er niet in de juiste toon te vinden.

Haar verhaal, een mengeling van historische feiten en romantische fictie, hangt aan elkaar van clichés, gekruid met grote hoeveelheden sentimentaliteit. Daarbij levert de vertaling door Bart Peperkamp moeizaam lopende zinnen op.

In dik 750 pagina’s vertelt Navarro ruim een eeuw geschiedenis van Palestina en van het samenleven van joden en Arabieren in dat land. Door dat gedetailleerde feitenrelaas rijgt ze het fictieve verhaal van twee families, de een joods, de ander moslim. Los van het feit dat dit, door de geboorte van kinderen, klein- en achterkleinkinderen een onoverzichtelijk grote hoeveelheid personages oplevert, kennen al die personages slechts twee karakters: ofwel intens goed en opofferingsgezind ofwel door en door slecht. Dit alles gevat in een taal boordevol stoplappen: brieven worden ’met bevende hand’ geschreven en doden ’rusten in eeuwige slaap’.

Eerder liet Navarro zien een goed verhaal te kunnen vertellen. Maar deze nieuwe roman verdient dat predicaat helaas niet.

Fictie

Julia Navarro: Schiet maar, ik ben toch al dood. Vert. Bart Peperkamp. Uitg. Wereldbibliotheek, € 29,99. Twee sterren

Meer nieuws uit GE

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.