'We doken onder in ons huis, maar werden toch verraden'

Connie Suverkropp heeft zowel in Nederland als in Japan gastlessen gegeven op scholen over haar oorlogsverleden. Foto: Studio Kastermans/Leon Dakkus

Connie met haar zusje voor de oorlog. Foto Privécollectie

1 / 2
Simone Stevens
Hilversum

Voor Connie Suverkropp uit Hilversum eindigde de oorlog in Nederlands-Indië niet met de capitulatie van Japan. ,,We wisten daar geeneens van. Pas een week later, 23 augustus, hoorden we dat we vrij waren. Maar ik voelde daar helemaal geen uitzinnige blijdschap over. Ik was zo apathisch en zo vol honger, dat ik niet goed kon nadenken over wat er met mij en mijn zusjes moest gebeuren. En toen kwam ergens in september het bericht dat mijn moeder in het ziekenhuiskamp op sterven lag.’’

De Hilversumse vertelt: ,,Mijn familie woonde al lang in Nederlands-Indië. Mijn vader is daar geboren, beide grootouders van vaderskant en zelfs mijn overgrootmoeder zijn daar geboren.’’

Stoottroepen

Ze herinnert zich nog als de dag van vandaag dat de Japanse bezetters hun huis in Bandoeng (in het huidige Indonesië) kwamen binnenstormen. ,,Ze zagen een pianoboek en ze gingen daarvan helemaal uit hun plaat. Die Japanse stoottoepen waren eenvoudige mensen en zij dachten dat het een codeboek was. Eerst heeft mijn vader wat op de piano uit het boek gespeeld, daarna mijn moeder en mijn broers. Toen begrepen ze dat het een muziekboek was. Ik had altijd het idee dat mijn vader alle talen kon verstaan. Hij sprak vloeiend Nederlands, Frans en Duits, Maleis, hoog – en laag Soendanees en hoog – en laag Javaans. Ik had het idee, deze held kan alles. Maar de Jap, die verstond hij niet. En voor het eerst in mijn leven was ik doodsbang.’’

,,Mijn vader was directeur van het gemeentelijke elektriciteitsbedrijf van Bandoeng en omstreken. Toen de Jappen kwamen, werd hij meteen ontslagen. Korte tijd na de Japanse inval werd hij opgehaald door de Kempeitai, de Japanse militaire politie die berucht was om de gruwelijkheden die ze verrichtten. Hij is uiteindelijk te werk gesteld aan de Birmaspoorweg. Daar heeft hij dysenterie opgelopen. De omstandigheden waren daar erbarmelijk; de mannen moesten er twaalf uur achter elkaar werken en kregen maar één keer per dag te eten. Ze gingen daar bij bosjes, mijn stoere, sterke vader heeft het daar ook niet lang volgehouden.’’

Baarnse oma

Suverkropp kende Eemland al uit haar jeugd. ,, Mijn moeder is in Rotterdam geboren. Ze was de jongste van vijf kinderen. Op een gegeven moment verhuisde het gezin naar Baarn. Mijn moeder heeft daar nog op het Baarnsch Lyceum gezeten. We mochten als gezin om de zoveel jaar op verlof. In 1936 hadden mijn ouders verlof en gingen we zo’n zeven maanden naar Europa. Toen zijn we ondermeer naar Baarn gegaan waar mijn Hollandse grootmoeder, oma Voorhoeve woonde.’’

De huidige Hilversumse heeft niet alleen akelige herinneringen aan het leven in de voormalige Nederlandse kolonie. ,,Tot mijn tiende heb ik een heerlijke jeugd gehad. We hadden veel ruimte rond het huis. En een abonnement op het zwembad vlakbij.’’

De oorlog dreef het gezin uiteen. ,,Mijn vader kwam bij de Birmaspoorlijn terecht. Mijn grootouders werden ook naar een kamp getransporteerd. Met mijn broers, zusjes en moeder hebben we eerst ondergedoken gezeten in ons eigen huis. Mijn moeder kreeg in de loop van 1942 tuberculose. De gezondheidsinspectie had een groot plakkaat op ons huis geplakt met daarop ’besmettelijke ziekte’. Daar waren die Jappen wel bang voor en ze lieten ons daarom met rust. Mijn oudste broer en ik gingen altijd stiekem eten halen. Uiteindelijk zijn we verraden. We kwamen eerst met z’n allen in de gevangenis terecht. Mijn zieke moeder werd af en toe weggehaald voor verhoor. Uiteindelijk werden we naar kampen overgeplaatst, mijn broers naar een mannenkamp.’’

,,Ik was twaalf jaar toen ik met mijn zusjes van twee en vijf terechtkwam in het vrouwenkamp in Bandoeng. Mijn moeder was daar eerst ook bij. Maar toen ik eten aan het halen was bij de gaarkeuken, is zij meegenomen. Eerst werden wij nog een beetje geholpen door andere vrouwen, maar op gegeven moment wilden die dat niet meer. ’Wij moeten nu vechten voor onze eigen kinderen’ zeiden ze en ze lieten mij voor mijn zusjes zorgen. Iedereen moest kampdienst doen, ook ik als twaalfjarige. Eerst veegde ik de straten, maar toen hoorde ik dat er een ploeg was die riolen moest doorsteken en die dan ook in het ziekenhuiskamp moesten werken. Daar heb ik me toen voor opgegeven in de hoop dat ik mijn moeder daar weer zou zien. Dat bleek een gelukkige gok. Tijdens het werk heb ik mijn moeder daar een aantal keren gezien’’.

,,In november 1944 werden mijn zusjes en ik op transport gezet. Alle kampen in de binnenlanden werden opgedoekt en wij moesten naar de kust. Ruim twintig uur in een volgepakte derde klas coupé zonder water en sanitair. We kwamen in Batavia terecht in een bestaand gevangeniscomplex, Struiswijk. Ik deelde daar met mijn zusjes een eenpersoonscel. De deuren gingen niet op slot. In zekere zin was het makkelijk om op hen te passen. Ze konden geen kant op en op den duur waren ze niet meer in staat te spelen, ze waren apathisch van de honger.’’

Weeshuis

,,Een week na de capitulatie van Japan kwam het bericht dat mijn moeder op sterven lag in het St. Vincencius hospitaal. Ik mocht er met een jeep met een Japanner met een mitrailleur naartoe. Bij aankomst bleek mijn moeder al overleden te zijn. Ik heb haar nog gezien, ze lag er heel rustig bij. Bij terugkeer in mijn kamp besloot ik dat ik met mijn zusjes moest proberen om naar Bandoeng, naar ons oude huis terug te gaan. Ik verwachtte dat mijn broers, vader en grootouders daar naartoe zouden komen.’’

,,De treinreis terug naar Bandoeng was vol gevaren. Jonge Indonesische rebellen probeerden ons lastig te vallen. Japanse militairen hebben ons ontzet. Dat is raar: eerst waren ze onze vijand en toen onze vriend. We hebben met de laatste trein gereisd, die niet overvallen is. In Bandoeng heb ik mijn broers teruggezien. Ons oude huis was totaal gestript. Er was niets meer. Via het Rode Kruis hoorden we dat mijn vader en grootouders de kampen niet overleefd hadden.’’

,,We stuurden een boodschap aan mijn Hollandse oma in Baarn via het Rode Kruis. Na een tijdje kwam bericht. Ze had vijf gezinnen gevonden die ons wel wilden opnemen. Daar heb ik toen tegen geprotesteerd. We hadden elkaar net teruggevonden en wilden niet meer uit elkaar. Uiteindelijk zijn we in Den Haag in het Waalse weeshuis terechtgekomen.’’

Meer nieuws uit Gooi en Eemland

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.